|
Zijn leven
Rubens kreeg een verzorgde humanistische opvoeding,
eerst in Keulen - waarheen zijn vader om zijn protestantse
geloofsovertuiging was uitgeweken (ca. 1570) -, daarna
te Antwerpen, waar zijn moeder zich na de dood van haar
man (1587) in 1589 definitief vestigde. In 1592 werd
hij leerling van de landschapschilder Tobias Verhaecht,
vervolgens van Adam van Noort en Otto van Veen; in 1598
werd hij vrijmeester te Antwerpen. Twee jaar later
reisde Rubens samen met zijn oudere broer Filips naar
Italië, waar hij acht jaar verbleef als officiële
schilder van hertog Vincenzo Gonzaga te Mantua. In deze
periode bezocht hij Venetië, Florence en Genua,
maar verbleef vooral in Rome (1601-1602; 1605-1606;
1607-1608). Belast met een officiële opdracht van
Filips III van Spanje, bezocht hij ook (zomer 1603)
aan het hof te Madrid. Berichten over de naderende dood
van zijn moeder brachten Rubens op 25 okt. 1608 terug
naar Antwerpen, waar hij zich toen definitief vestigde.
Jezus aan het kruis Pontius Pilatus veroordeelde Jezus
ter dood nadat hij de menigte liet kiezen of Jezus al
dan niet moest sterven. Jezus werd gedwongen om zijn
eigen kruis naar Golgotha te dragen, waar hij werd gekruisigd.
Het schilderij Jezus aan het kruis werd in 1620 geschilderd
door Peter Paul Rubens, op het hoogtepunt van zijn carrière.
Het toont Jezus, geflankeerd door twee gekruisigde misdadigers.The
New York Public Library. Kort daarna werd hij officieel
Antwerps stadsschilder en illustratieontwerper voor
de Officina Plantiniana (het drukkersatelier van Plantin)
en op 23 sept. 1609 werd hij benoemd tot hofschilder
van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Op 3 okt.
1609 huwde hij met Isabella Brant. In 1610 kocht hij
een pand op de Wapper te Antwerpen, waarop hij tussen
1616 en 1621 een imposant gebouwencomplex, omvattend
een woning, tuinpaviljoen en atelier liet bouwen (het
huidige Rubenshuis, gerestaureerd 1939-1946; museum
sedert 1946). Na de dood van aartshertog Albrecht
(1621) bleef Rubens als hofschilder in dienst van Isabella,
die hem vanaf 1623 tevens met belangrijke diplomatieke
opdrachten belastte. Zo was hij (1623-1625) nauw betrokken
bij de onderhandelingen met de Noordelijke Nederlanden
over een hernieuwing van het Twaalfjarig Bestand. In
1628 en 1629 verbleef hij achtereenvolgens in Madrid
en Londen, waar hij de grondslag legde voor het op 15
nov. 1630 tussen Spanje en Engeland gesloten vredesverdrag.
Door het mislukken van nieuwe onderhandelingen (1631-1633)
met deNoordelijke Nederlanden over het sluiten van een
verdrag tussen de beide Nederlanden, zegde hij zijn
diplomatieke loopbaan vaarwel. Na de dood van zijn vrouw,
Isabella (1626) trouwde Rubens in 1630 met de zestienjarige
Hélène Fourment. In 1635 kocht hij het
riante buitengoed Het Steen te Elewijt, waar hij de
laatste jaren van zijn leven grotendeels doorbracht.
Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de St.-Jacobskerk
te Antwerpen.
Werk
Het omvangrijk schilderoeuvre van Rubens kan stijlkritisch
in verschillende perioden worden ingedeeld.
- Antwerpse tijd
(1598-1600)
In deze jaren begon Rubens zich pas los te
maken uit de laat-maniëristische tradities van
zijn leermeesters. Nog sterk op Van Veens eclectisch
academisme geënt is bijv. Adam en Eva (Rubenshuis,
Antwerpen). Wel komt in de plastisch-monumentale conceptie
en de gevoelige kleurschakeringen van sommige werken
in deze tijd Rubens' sterke kunstenaarspersoonlijkheid
reeds tot uiting. Ook in de psychologische uitdrukking
van zijn portretten toonde hij zich al de meerdere van
zijn leermeester.
- Italiaanse
tijd (1600-1608)
In deze voor zijn artistieke vorming beslissende
periode maakte Rubens zich vertrouwd met de vormentaal
van de antieke beeldhouwers en de grote Italiaanse schilders
van de hoog-renaissance, evenals met de eigentijdse
kunst van Caravaggio. Hoewel in de eerste schilderijen
(o.a. Sint-Helena, 1601-1602) het laat-maniëristisch
eclecticisme van de Antwerpse schilders uit het einde
van de 16de eeuw nog zijn invloed deed gelden, ontstonden
vanaf 1606 werken als Kerstnacht (1608; Stadhuis, Fermo)
en twee altaarstukken voor het hoogaltaar van de Chiesa
Nuova te Rome (resp. 1606-1607; Musée de Peinture
et de Sculpture, Grenoble, en 1607-1608; Chiesa Nuova,
Rome), waarbij, behalve harmonie tussen Rafaëls
evenwichtigheid in de compositie, Michelangelo's dramatische
bewogenheid en het Venetiaans aandoend coloriet, een
persoonlijke visie heel sterk opvalt.
- Antwerpse tijd
(1608-1618)
Zelfportret met Isabella Brant Rubens' Zelfportret
met Isabella Brant in een met kamperfoelie begroeid
prieel (ca. 1610-1611) dateert uit zijn Antwerpse tijd.
Kenmerkend voor zijn werk uit deze periode zijn de dekkende,
koele kleuren en de opmerkelijke harmonie van de compositie.
Het schilderij behoort tot de collectie van de Alte
Pinakothek te München.Archivo Fotografico Oronoz.
De elkaar in snel tempo opvolgende bestellingen dwongen
Rubens tot een rationele organisatie van zijn werktijd.
In deze periode richtte hij zijn vermaarde atelier op,
waar zijn werken zorgvuldig werden voorbereid: na een
eerste, vage schets werd de voorstelling nagenoeg vastgelegd
in een vrij verzorgde olieverfschets, die aan de besteller
ter goedkeuring werd voorgelegd. Intussen werden afzonderlijke
figuren en motieven vaak 'ad vivum' met grote precisie
getekend met behulp van krijt en witte dekverf. Ook
bij de definitieve uitvoering van het merendeel van
zijn schilderijen werd Rubens bijgestaan door een wisselende
groep van schilders (onder wie A. van Dyck, die o.m.
een groot aandeel had aan de totstandkoming van Achilles
herkend door Odysseus, 1618). Monumentaal geconcipieerde
composities kwamen tot stand die, ondanks dramatische
bewogenheid, door evenwichtige schikking van de op sterk
plastische werking afgestemde personages, evenals door
het contrastrijke spel van de pasteus dekkende koele,
lokale kleuren, een opmerkelijke harmonie vertonen.
Uit deze periode dagtekenen Rubens' beroemdste altaarstukken:
Kruisoprichting en Kruisafneming (resp. 1610-1611 en
1612-1614). Behalve religieuze onderwerpen schilderde
de kunstenaar in deze periode ook talrijke mythologische
taferelen (De Amazonenslag, 1615; De roof van de dochters
van Leucippus, 1618), evenals ongemeen virtuoze jachttaferelen
en robuust getypeerde portretten, en vooral het Zelfportret
met Isabella Brant in een met kamperfoelie begroeid
prieel (ca. 1610-1611).
- Middenperiode
(1618-1630)
Palais de Luxembourg, Parijs Nadat hij in 1615 van
Maria de Médicis de opdracht had gekregen een
paleis naar het model van het Palazzo Pitti in Florence
te bouwen, koos Salomon Brosse voor een conventioneel
ontwerp. De middelste paviljoenen bevinden zich naast
de twee vooruitspringende hoekpaviljoenen met een leistenen
dakwerk. Het portaal van de ingang is voorzien van een
achthoekige koepel die typisch is voor de stijl van
Lodewijk de 13de. De inrichting van het gebouw werd
toevertrouwd aan Rubens, die een reeks van eenentwintig
schilderijen schilderde waarin het leven van de koningin
wordt weergegeven. Tegenwoordig bevinden de schilderijen
zich in het Louvre. Later werd het Palais du Luxembourg
aanzienlijk vergroot door Jean-François Chalgrin
en daarna door Alphonse de Gisors (19de eeuw). Tegenwoordig
is de Senaat van de Franse Republiek er gevestigd.Michel
Langrognet. De schilderijen in deze periode tonen
een meer beheerste, hoewel steeds bewogen vormgeving
en een helder en warm coloriet. Daarnaast valt een streven
naar pralerigheid, dat tot uiting komt in het vaak en
beklemtoond aanwenden van rijke architectuurdecors,
niet te ontkennen: De bekering van Sint-Bavo (1623-1624),
Aanbidding der Wijzen (1624; Kon. Mus. voor Schone Kunsten,
Antwerpen). Typisch is ook dat juist in deze periode
de grote, op uitgesproken monumentaal-decoratieve werking
afgestemde cycli zijn ontstaan, o.a. de plafondschilderstukken
van de Antwerpse Jezuïetenkerk (1620; vernield
door brand in 1718), waarvan alleen enkele olieverfschetsen
(verspreid over verschillende verzamelingen) bewaard
bleven, alsmede omvangrijke altaarstukken als Tronende
Madonna met kind, eigenlijk Sacra conversazione (1628).
Een belangrijke opdracht uit deze tijd is een cyclus
van 21 taferelen, voorstellend de gedenkwaardige gebeurtenissen
in het leven van Maria de Médicis, voor het Palais
du Luxembourg te Parijs (1621-1625). Ook series kartons
voor grote tapijtenreeksen kwamen in deze jaren tot
stand: o.m. Geschiedenis van Constantijn (1622-1623;
schetsen verspreid over verschillende verzamelingen),
vervaardigd in opdracht van Lodewijk XIII, Geschiedenis
van Achilles (ca. 1626) en Triomf van de eucharistie
(1627-1628).
In zijn laatste levensperiode vervaardigde
Rubens zijn meest picturale werken. De bijzonder lyrische
kwaliteiten van de composities zijn uitsluitend toe
te schrijven aan het schitterende, lichte coloriet.
Het is niet verwonderlijk dat in deze tijd de stemmigste
landschappen en bucolische taferelen tot stand kwamen,
als De liefdestuin, De zonsondergang en De vogelvangers.
Een ander treffend kenmerk van Rubens' latere productie
is de opvallende aanwezigheid van zijn vrouw Hélène;
deze was niet alleen het onderwerp van enkele fraaie
portretten, maar stond ook model voor talrijke religieuze
en mythologische taferelen. Onder de altaarstukken vallen
vooral enkele fel bewogen marteltaferelen op: De marteldood
van de H. Livinus (1633), De marteldood van St.-Petrus
(ca. 1638) en De marteldood van St.-Andreas (ca. 1638).
In 1636 kreeg Rubens van Filips IV van Spanje opdracht
voor het schilderen van ruim honderd taferelen met voorstellingen
uit Ovidius'Metamorfosen voor het jachtpaviljoen Torre
de la Parada (nabij Madrid); de virtuoze schetsen (verspreid
over verschillende verzamelingen) voor deze opdracht,
geheel van de hand van Rubens zelf, behoren tot de briljantste
uitingen van de schilderkunst van alle tijden.
Rubens was een geniaal vernieuwer van de Vlaamse
schilderkunst in de 17de eeuw en een belangrijk vertegenwoordiger
van de barok. Zijn invloed op jongere tijdgenoten als
Van Dyck en Jordaens was zeer diepgaand. Dat Rubens
reeds tijdens zijn leven internationale bekendheid kreeg,
is niet in de laatste plaats te danken aan de verspreiding
die hij aan zijn oeuvre gaf door de prentkunst. Kort
na zijn terugkeer uit Italië nam hij graveurs in
dienst met het doel zijn werken met burijn of etsnaald
te laten reproduceren. Als belangrijkste burijngraveurs
die onder zijn leiding werkten, kunnen worden genoemd:
Pieter Soutman, Lucas I Vorsterman, Boëtius en
Schelte à Bolswert en Paulus Pontius; voorts
Cornelis I Galle, Nicolaas Rijckmans en Hans Witdoeck.
De enige houtsnijder naar Rubens was Christoffel Jegher.
Collecties
Belangrijke collecties van Rubens' tekeningen en
etsen bezitten het British Museum (Londen), de Albertina
(Wenen), het Musée du Louvre (Parijs), het Museum
Boijmans-Van Beuningen (Rotterdam) en het prentenkabinet
van de Nationalgalerie (Berlijn). Sedert de jaren zestig
wordt door het Nationaal Centrum voor de Plastische
Kunsten van de XVIde en XVIIde eeuw, gevestigd in het
Rubenianum (Instituut voor Documentatie betreffende
de Vlaamse Schilder- en Beeldhouwkunst in de Renaissance
en de Barok) te Antwerpen, gewerkt aan de samenstelling
van een catalogus van het volledige oeuvre van Rubens,
die wordt gepubliceerd onder de titel Corpus Rubenianum
Ludwig Burchard (1968 vv.). De daarbij verrichte kritische
onderzoekingen van het oeuvre steunen grotendeels op
het door de vermaarde Rubenskenner Ludwig Burchard (1886-1960)
aan de stad Antwerpen nagelaten studiemateriaal
Bron:
Encarta Naslagbibliotheek - Winkler Prins 2005
|
|