|
Zijn leven
Rembrandt was de zoon
van de molenaar Harmen Gerritsz. van Rijn en van de bakkersdochter Neeltgen
Willemsdr. van Zuytbrouck. Gedurende een jaar (1620) was hij ingeschreven aan
de Academie in Leiden en werd daarna (volgens Orlers) leerling van Jacob van Swanenburg
in Leiden (ca. 1621-1623?), vervolgens van Pieter Pietersz. Lastman in
Amsterdam (1624 of/en 1625); Arnold Houbraken vermeldt ook Jacob Pynas als zijn
leermeester. Vanaf ca. 1625 deelde hij als zelfstandig schilder in Leiden een
werkplaats met Jan Lievens. In juli 1632 wordt hij voor het eerst in Amsterdam
vermeld als logerend bij de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh; op 6 juni
1633 trouwde hij met diens nicht Saskia. In 1639 kocht hij een huis (het
huidige, sindsdien inwendig gewijzigde Rembrandthuis, Jodenbreestraat 4-6,
Amsterdam). Van de vier kinderen die het echtpaar kreeg, bleef alleen Titus
(1641-1668) in leven. Na de dood van Saskia (1642) raakte Rembrandt in
financiële en persoonlijke moeilijkheden (o.a. verwikkelingen met Geertghe Dircx,
die hem ca. 1649 liet vervolgen wegens het niet nakomen van zijn trouwbelofte).
Men neemt aan dat Hendrickje Stoffels reeds ca. 1645 bij Rembrandt is komen
wonen; uit hun samenleving werd een dochter, Cornelia, geboren. In 1656 vonden
de inventarisatie en vervolgens verkoop van het bezit van Rembrandt plaats; in
1658 stichtten Hendrickje (gest. 1663) en Titus in hun huis aan de Rozengracht
een soort vennootschap waarvoor Rembrandt werkte, waardoor hij tegen zijn
schuldeisers beschermd werd. Onjuist is de opvatting dat Rembrandt in armoede
gestorven is; na het zgn. faillissement, dwz. de boedelafstand, heeft hij nog
verscheidene belangrijke opdrachten gekregen, terwijl hij tevens handel dreef
met zowel eigen etswerk als oude kunst. Zijn stoffelijk overschot werd op 8
okt. 1669 in de Westerkerk te Amsterdam bijgezet.
WERK
Rembrandts oeuvre is
stijlkritisch in verschillende perioden onder te verdelen:
Rembrandts vroege
schilderijen, hoewel van het begin af getuigend van een sterke persoonlijke
visie, kunnen als een verwerking opgevat worden van verschillende invloeden
(Lastman, Adam Elsheimer, Utrechtse caravaggisten als Gerard van Honthorst).
Dit blijkt uit het bonte, aanvankelijk harde coloriet, de dramatische clair-obscur-belichting
(felle belichting van details) en uit de nadruk op de uitbeelding van sterke
gemoedsaandoeningen. De meeste vroege werken zijn kleine panelen of
koperplaten, tegen 1630 minutieus geschilderd en met het monogram RHL (inéén;
voor: Rembrandt Harmensz. Leidensis) gemerkt. Tegen 1630 werd het coloriet
zachter, met een duidelijke voorliefde voor paars, bronsgroen en gedempt geel.
Men kan aannemen dat zijn etstechniek zijn vroege schildertechniek beïnvloed
heeft, dwz. net als bij de etsgrond kraste, resp. tekende hij in de nog natte
verflaag om bijv. de haargroei of het bont aan te geven. Het vroegst gedateerde
schilderij uit deze periode is de Steniging van Stefanus (1625; Musée des
Beaux-Arts, Lyon). Onder de tekeningen vallen de vlugge, maar trefzekere
compositieschetsen van bijbelse voorstellingen en uitgewerkte academische
studies naar model op, in het bijzonder van oude mannen met baard. Zij zijn
doorgaans in zwart en/of rood krijt uitgevoerd. De eerste etsen uit ca. 1626 worden nog gekenmerkt door een
grove schetsmatigheid, maar reeds in 1628 had Rembrandt de techniek volledig
onder de knie. Uit fijne, de etsgrond wegstrijkende streepjes bouwde hij zijn
eerste fysiognomische studies op, daarbij uitvoerig ingaande op de
gelaatsexpressie; het overige is meestal slechts schetsmatig aangegeven.
- Amsterdamse
tijd, 1632-1640
De schilderijen uit
deze meest barokke periode zijn breed en met veel bravour opgebouwd. Na de
Anatomische les van dr. Tulp uit 1632 (Mauritshuis, Den Haag; zie anatomiestuk)
ontstond een lange reeks portretten van welgestelde, soms zeer modieus geklede
Amsterdamse burgers, theatrale portretten van oosterlingen en mythologische
figuren (Saskia als Flora, 1634; Hermitage, Sint-Petersburg); gekenmerkt door
dezelfde pronkachtige zwier en rijke aankleding. Voor stadhouder Frederik
Hendrik maakte Rembrandt een reeks van vijf betrekkelijk kleine passietaferelen
(Alte Pinakothek, München). Het coloriet wordt geleidelijk gedempter, de
tonaliteit wordt vaak bepaald door goudbruin, rood dat aan koper doet denken,
zachtblauw, violet, mosgroen, geel, terwijl vele soorten zwart, zoals
violetzwart, zorgen voor de contrastwerking. Vanaf ca. 1632 zijn de
schilderijen voluit met Rembrandt gesigneerd. De tekeningen tonen nu een grotere verscheidenheid in
technisch en stilistisch opzicht; met een rake veren pen werden in huis of op
straat bewegingen vastgelegd, terwijl zelfs de middeleeuwse zilverstift werd
beproefd. Door middel van de betrekkelijk dunne, korte arceringen worden soms
vrij uitvoerig de details uitgebeeld. Bij de etsen valt het verschil op tussen schetsen, die veel
vrijer van opzet zijn, zoals de meesterlijke studies van Saskia, en de volledig
uitgewerkte, voor de kunsthandel bestemde, meestal bijbelse taferelen. De fijne
etstechniek blijft voorlopig nog zeer gedetailleerd.
- De
Middenperiode, 1640-1650
In de schilderijen
(overigens ook in de tekeningen) maakt het dramatisch bewogene geleidelijk
plaats voor een overwogen plaatsing van de figuren en een harmonische toepassing
van de lichtcontrasten. Hoogtepunt op het gebied van regie van personen en door
het gebruik van lichteffecten is het in 1642 voltooide Korporaalschap van
kapitein Banningh Cock, de Nachtwacht (Rijksmuseum, Amsterdam). Zowel
compositioneel als coloristisch hebben sedert ca. 1640 schilderijen van
meesters als Rafaël en Titiaan Rembrandts verdere ontwikkeling medebepaald. De
bijbelse voorstellingen, waaronder vier schilderijen van de Heilige Familie,
munten uit door eenvoudige huiselijke sfeer en rustige compositie en gaan
meestal op naar het leven gemaakte penkrabbels terug. Ook zijn indringende
portretten worden minder theatraal. De belangrijkste vernieuwing in de tekeningen wordt gevormd
door de topografische landschappen vanaf ca. 1640, gemaakt op wandelingen in de
omgeving van Amsterdam of in Amersfoort en Rhenen. Deze ongecompliceerde en
spontane weergaven van het Hollandse landschap getuigen van een zeldzaam
raffinement. Terugkeer tot de natuurbeleving spiegelt zich ook in de
etsen af, al missen deze veelal de spontane directheid van het werken in de
natuur. Het werk van de etsnaald wordt anders, schijnbaar minder uitvoerig,
maar uitgebreid door het gebruik van de droge naald. Van het papier zijn
grotere partijen uitgespaard als contrast met de gradueel donkere dichtheid van
de parallelle of van de kruisarceringen; de plaats van de in deze lichtpartijen
met droge naald zuiver getekende figuren wordt van nu af steeds belangrijker.
In deze laatste
periode is Rembrandts schilderkunst tot volle ontplooiing en rijpheid gekomen.
De kleur van de schilderijen is nog dieper en rijker, de werkwijze
afwisselender en, naast een incidentele neiging tot sober monochroom coloriet,
heeft vooral diep rood, bruin en goudgeel de voorkeur. De verf wordt steeds
pasteuzer, dikker en breder aangebracht, na 1660 soms met paletmes en brede
borstel. De coloristische relatie met de Venetiaanse schilderkunst van de 16de eeuw,
in het bijzonder met de late stijl van Titiaan, wordt steeds duidelijker. De
lange reeks van zelfportretten wordt afgesloten met een portret met het als het
ware in de verf geboetseerde, opgezwollen gezicht (Mauritshuis, Den Haag). In zijn tekeningen zette Rembrandt in het begin van de jaren
vijftig zijn studies van het landschap voort. Het gebruik van de brede rietpen
hierbij en ook bij andere onderwerpen veroorzaakte een zekere hoekigheid van de
lijnvoering. Geheel anders van karakter echter zijn de late, vloeiende
penseeltekeningen, die op bestudering van Aziatische voorbeelden duiden. De
studies van vrouwelijke naakten completeren ten slotte de rijkdom van het
getekende oeuvre. De burijn en vooral de droge naald werden in deze periode de
meest gebruikte instrumenten voor zijn etsen. Op de koperplaat gelaten of
aangebrachte inkt werd soms als monotype afgedrukt; deze nieuwe werkwijze werd
meestal bij nachtscènes toegepast, waarvan doorgaans verschillende staten
bestaan. Door het gebruik van Japans of Chinees papier en van perkament werd
een verdere verfijning van de contrastwerking bereikt. Uit ca. 1654 dateert ten
slotte de diagonale arceringswijze naar het voorbeeld van Andrea Mantegna. Na
1660 heeft Rembrandt, mogelijk door de verzwakking van zijn gezichtsvermogen,
geen etsen meer gemaakt.
Leerlingen en invloeden
De bekendste
leerlingen van Rembrandt zijn geweest: Gerard Dou, Ferdinand Bol, Govert
Flinck, Philips Koninck en Gerbrand Jansz. van den Eeckhout (tijdens de
Amsterdamse jaren, tot 1642), Samuel van Hoogstraten, Carel Fabritius, Abr.
Furnerius en L. Doomer (jaren veertig), W. Drost, Abr. van Dijck, Heijmen
Dullaert (jaren vijftig); ook niet-leerlingen als J. Koninck stonden in deze
periode onder zijn invloed en tijdens de laatste jaren: Aert de Gelder, Godfrey
Kneller en J. Leupenius. De volgende leerlingen of navolgers hebben in zijn
stijl geëtst: J. van Vliet, G. Dou, F. Bol, G. van den Eeckhout, S. van
Hoogstraten, W. Drost, C. à Renesse, Ph. Koninck en P. de With.
Waardering
Rembrandt behoort tot
die geniale vernieuwers die gehele generaties kunstenaars in hun ban hielden;
ook tijdens zijn leven was hij internationaal beroemd. Tegen 1660 moet, door
het opkomende classicisme, de waardering voor zijn werk zijn afgenomen. Tijdens
de romantiek werd het zeer bewonderd, een bewondering die ook in de 20ste eeuw
nog voortduurt en berust op de gave van de kunstenaar het innerlijk van de mens
aanschouwelijk te maken, het religieus gevoel van de beschouwer te raken en
bovendien op zijn technisch meesterschap. Onderzoekingen hebben in de 20ste eeuw een zuivering van het
oeuvre, wat schilderijen en tekeningen betreft, op gang gebracht. Zo werd de
catalogus van A. Bredius door Gerson in 1969 met ruim tweehonderd nummers
besnoeid; zowel het geschilderd als het tekeningenoeuvre (samengesteld door
Benesch in 1954-1957) wordt opnieuw kritisch bezien. In de jaren tachtig werden
de aan Rembrandt toegeschreven schilderijen, met name de vroege werken, door
een team van kunsthistorici systematisch onderzocht, waarbij de technische
aspecten een belangrijke rol spelen (A corpus of Rembrandt paintings, onder
leiding van J. Bruyn, 3 dln.,1989). Het onderzoek van de etsen, waarvan de
authenticiteit tamelijk goed vaststaat, richt zich vooral op de papiersoorten
en op een verder onderscheid van staten.
Collecties
Rembrandts immens
oeuvre is verspreid over Europa en de Verenigde Staten. Representatieve
collecties van zijn werk zijn te vinden o.m. in het
Rembrandthuis en Rijksmuseum in Amsterdam, Museum Boijmans-Van Beuningen in Rotterdam,
het Teylers Museum in Haarlem, het prentenkabinet van het British Museum in
Londen, de Albertina in Wenen en de Pierpont Morgan Library in New York.
Bron:
Encarta Naslagbibliotheek - Winkler Prins 2005
|
|